“De stad ademt in stilte, en ik adem mee.”
Ik stap uit de trein op een onbekend station. De hal is groot, maar leeg. Een klok tikt boven mijn hoofd, de wijzers verplaatsen zich, maar de tijd lijkt stil te staan.
Ik volg de geur van koffie naar een klein café aan de rand van het plein. Ik ga zitten aan een tafeltje. Een stoel staat scheef, alsof iemand haastig is vertrokken.
Ik wrijf de slaap uit mijn ogen, terwijl ik zachtjes slurp aan mijn bak zwarte koffie. Ik kijk om mij heen. De reizigers die hier ooit zaten, hebben hun verhalen achtergelaten in de krassen van de tafel.
Ik raak het hout aan en voel de echo van hun aanwezigheid. Het is alsof ik deel uitmaak van een stroom die altijd verdergaat, maar nooit echt aankomt.
Een brug buiten het station trekt mijn aandacht. Het is een eenvoudige constructie van staal en steen, maar voor mij een symbool van overgang.
Iedere brug is een belofte dat er iets op je wacht aan de andere kant, ook al weet je niet wat. Ik blijf staan, midden op de brug, en luister naar het water dat onder mij stroomt.
De rivier draagt verhalen mee die ik nooit zal kennen: stemmen van dorpen stroomopwaarts, geheimen van bossen en bergen. Het water lijkt haastig, maar toch eindeloos geduldig, alsof het weet dat elke bestemming slechts een tussenstop is.
De brug zelf kraakt zacht onder mijn voeten, alsof hij mij wil herinneren dat oversteken altijd een keuze is. Hier, tussen twee oevers, voel ik de spanning van vertrek en aankomst, van loslaten en verwachten.
De lente hangt in de lucht. Een zachte wind tilt mijn jas op, alsof hij me wil meenemen. Maar ik blijf nog even. Want de reis is niet de beweging zelf, maar het wachten op de zin die zich pas openbaart wanneer je geen haast meer hebt.
Misschien is de weg niet om te vinden, maar om te blijven dwalen.