De straten ademen een onbekende taal. Ik dwaal zonder kaart, mijn stappen echoën tussen gevels die mij niets vertellen. De stenen lijken oud, maar ze dragen geheimen die ik niet kan lezen.
Een markt bruist van stemmen die ik niet versta. Kleuren flitsen voorbij: fruit in stapels, stoffen die golven in de wind, gebaren die sneller zijn dan woorden. Ik voel me opgenomen in een stroom die mij meeneemt, maar nergens heen leidt.
De stad lijkt zichzelf te verbergen achter elke hoek. Een deur sluit zich net voordat ik dichterbij kom. Een raam gaat open, maar toont slechts een schaduw. Het onbekende glimlacht, maar blijft ongrijpbaar.
Ik loop verder, de geur van kruiden en rook vermengt zich met het geluid van trams en voetstappen. Het is alsof de stad een labyrint is dat mij niet wil laten ontsnappen, maar ook niet wil vasthouden.
Niemand spreekt mij aan. Alleen een vrouw op de hoek van de straat. Ze wenkt me. Come with me, zegt ze zachtjes, in een bijna onverstaanbaar soort Engels terwijl ik langs een walm van parfum loop. Haar ogen zijn helderblauw, haar huid lijkt doorzichtig, alsof ze een laagje lucht om zich heen draagt.
“You’re already here. You just forgot,” hoor ik haar zeggen. Dan, plotseling, draait ze zich om — en verdwijnt uit het zicht. Een fractie van een seconde zie ik haar silhouet nog vervagen, alsof ze in een oude film stapt. Dan is ze weg. Alleen de geur van parfum blijft hangen — zoet, maar met een metalige ondertoon, alsof het uit een andere tijd komt.
Ik betreed de steeg waar de vrouw leek op te lossen. Verderop laat ik mij dragen door de indringende geur van parfum en kijk omhoog naar gevels die oud zijn, maar nog steeds wachten op betekenis. Hun ornamenten lijken verhalen uit te ademen, die onuitgesproken verdwijnen in de lucht.
Even voel ik dat ik deel uitmaak van iets groters. Het onbekende wordt een spiegel waarin ik mijn eigen verlangen zie. Ik blijf staan op een kruispunt, luister naar de chaos die zich ordent tot een vreemd soort harmonie.
Ik zoek een plek om te zitten en vind een bankje naast een fontein. Het water mompelt iets in een taal die ouder is dan woorden. Ik sluit mijn ogen en laat het geluid mij omhullen, als een mantel die niet van mij is, maar mij toch warmte geeft.
Wanneer ik mijn ogen weer open, is de stad dezelfde, maar ik niet meer. Iets heeft zich verschoven, ergens diep van binnen, op een plek die ik niet kan aanwijzen.
Dan hoor ik die woorden weer… “You’re already here. You just forgot.” De stad ademt ze mee, in trams, in stemmen, in het klateren van water. En ergens, bijna onmerkbaar, hangt een zweem in de lucht — niet langer enkel parfum, maar iets dat lijkt op herinnering zelf. Het vermengt zich met de avond, met het goud en grijs van de daken, en met de stemmen die zachter worden.
Ik loop verder, zonder bestemming, maar met een nieuw ritme in mijn pas. Misschien is het onbekende niet om te begrijpen, maar om telkens opnieuw te ontmoeten — zoals een geur die blijft hangen, ongrijpbaar en toch vertrouwd, een echo van verlangen dat zich niet laat grijpen maar blijft zweven tussen tijd en adem.
