De lucht ruikt naar zout en verre reizen. Ik loop over een houten pier, de planken kraken onder mijn voeten. Voor mij strekt de horizon zich uit, een lijn die nooit dichterbij komt.
Het zilte schuim spat tegen de houten palen van de pier, een wit spoor dat meteen weer oplost in het water. Het herinnert me eraan dat ook gedachten komen en gaan, zoals golven die nooit blijven.
De golven rollen onvermoeibaar het strand op, alsof ze een boodschap dragen die ik niet kan ontcijferen. Ik luister naar hun ritme, een taal van herhaling en stilte.
Ik blijf staan waar het land ophoudt en de zee begint. Ik zie hoe zee en strand een liefdesspel spelen van komen en gaan, van verdwijnen en weer tevoorschijn komen.
Het water glinstert, maar verbergt meer dan het toont. Elke golf lijkt een vraag, elke terugtrekking een antwoord dat ik niet begrijp.
De oneindige blik in de verte, het geluid van de golven, het streelt mijn ziel. Ik voel een diepere vorm van harmonie. Even, het zijn maar luttele seconden, word ik omarmd door de eeuwigheid.
Ik zie het licht van de laagstaande zon scheren over het water. De zon lijkt te zeggen: kom maar, de weg is geplaveid, wandel op het ritme van de golven totdat we samen ondergaan.
Meeuwen cirkelen boven mijn hoofd. Hun kreten, versterkt door de wind, verstoren mijn overpeinzing. De dag zakt langzaam weg, maar de zee lijkt eeuwig.
Ik tuur nog een keer in de verte en draai me dan om.
Misschien is de horizon niet om te bereiken, maar om te blijven volgen.
